Document uitspraak ISR in zaak Vroemen

UITSPRAAK VAN DE TUCHTCOMMISSIE

Kamer : Dopingkamer
Leden van de kamer :
(kamervoorzitter) : mr. J. Gerrits
(lid) : drs. F. Kessel
(lid) : mr. J. Doon
Zaaknummer : T 2009003/2009-16-01

In de zaak van:

1. Betrokkene

Naam : S. Vroemen
Adres : [*verwijderd ivm privacy, red. LV]
PC/Gemeente : [*verwijderd ivm privacy, red. LV]
Lid van de sportbond : Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie (hierna te noemen: KNAU)
Registratienummer : 77167

2. Aangever

Naam sportbond : KNAU
Gevestigd te : Arnhem, Postbus 60100, 6800 JC Arnhem
Ondertekend door : M.A. van Haperen

3. De procedure

– Op 20 februari 2009 is bij aangifteformulier gedateerd 18 februari 2009 tegen betrokkene aangifte gedaan, als hierna vermeld;
– De betrokkene zich heeft doen vertegenwoordigen door diens raadsman mr. D. Dedecker te Eke (België);
– Op 15 april 2009 is door de raadsman van betrokkene een verweerschrift ingediend;
– De tuchtcommissie heeft de tuchtzaak mondeling behandeld op 27 april in Nieuwegein. Betrokkene is in persoon verschenen. Ook zijn raadsman D. Dedecker was aanwezig, evenals de heer mr. R.W.L. Koopmans (bestuurslid) als vertegenwoordiger van de KNAU.

4. Aangifte/grondslag van de tuchtzaak

Aangever heeft bij formulier met diverse bijlagen, ontvangen 20 februari 2009 van de volgende overtreding aangifte gedaan:

Op 9 en/of 10 augustus 2006 heeft betrokkene te Göteborg (Zweden) een intraveneuze infusie gebruikt. Dit levert een overtreding op van artikel 4 van het Dopingreglement van het ISR.
De aangever verwijst voorts naar het bij de aangifte gevoegde feitenrelaas inclusief de rapportage van de Dopingautoriteit.

5. Gelet op:

– het aangifteformulier ontvangen op 20 februari 2009 met de daarbij gevoegde stukken, waaronder: de begeleidende brief van de KNAU gedateerd 18 februari 2009, het “feitenrelaas aangifte Dopingzaak Simon Vroemen (2006)”, eveneens gedateerd 18 februari 2009 en de aan dit feitenrelaas gehechte bijlagen waaronder het “onderzoeksdossier van de Dopingautoriteit”, getiteld “verslag onderzoek Göteborg 2006”, gedateerd 19 december 2008;
– de “handtekeningenkaart”, ondertekend door drie bestuursleden van de KNAU gedateerd 7 juni 2007;
– het verweerschrift van Mr. Dedecker gedateerd 14 april 2009 en ontvangen op 15 april 2009 met bijlagen;
– het pleidooi van Mr. Dedecker tijdens de mondelinge behandeling op 27 april 2009.

6. De Tuchtcommissie:

– verklaart zich bevoegd om van de tuchtzaak kennis te nemen;
– is niet overtuigd dat de betrokkene de onder 4 vermelde overtreding(en) heeft begaan en spreekt de betrokkene daarvan vrij.

7. Strafoplegging

Aan betrokkene wordt geen straf opgelegd.
De tuchtcommissie bepaalt dat er in dit geval dan ook geen aanleiding is om de kosten welke zijn verbonden aan de behandeling van deze tuchtzaak, bestaande uit de kosten van bijstand van de ambtelijk en juridisch secretaris, geheel of ten dele ten laste van de betrokkene te brengen.

8. De Tuchtcommissie motiveert haar uitspraak aldus:

Ter zake van haar bevoegdheid overweegt de Tuchtcommissie als volgt:

Betrokkene is geregistreerd als lid van de KNAU onder nummer 77167.
Krachtens artikel 9 lid 1 van de Statuten van de KNAU zijn de leden onderworpen aan de onafhankelijke tuchtrechtspaak van de KNAU.
Krachtens artikel 8 lid 3 j° artikel 9 lid 3 van de Statuten zijn het Tuchtreglement en het Dopingreglement van het Instituut Sportrechtspraak en bijbehorende bijlagen, waaronder de zogenaamde Dopinglijst, van toepassing op de tuchtrechtspraak van de KNAU. In art. 9 lid 3 van de statuten van de KNAU staat voorts vermeld dat de door de IAAF van toepassing verklaarde sportspecifieke dopingbepalingen van toepassing zijn.
De tuchtrechtspraak binnen de KNAU is ingevolge artikel 7 lid 2 j° 8 lid 1 j° 9 lid 1 en 4 van de Statuten met uitsluiting van andere organen opgedragen aan de tuchtcommissie van het Instituut Sportrechtspraak. De daartoe vereiste overeenkomst tussen de KNAU en de Stichting Instituut Sportrechtspraak is op 1 juni 2005 tot stand gekomen.

Op grond van het bovenstaande acht de tuchtcommissie zich bevoegd om van de onderhavige tuchtzaak kennis te nemen.

Ter zake van het toepasselijke Dopingreglement en de toepasselijke Dopinglijst overweegt de tuchtcommissie:

De tuchtcommissie constateert dat de aangifte is gedaan in 2009, derhalve na de datum van inwerking treden van het Dopingreglement zoals dit per 1 januari 2009 in werking is getreden. De overtreding waarvan aangifte is gedaan heeft plaatsgevonden in 2006. Op dat moment gold het Dopingreglement zoals vastgesteld door het bestuur van het ISR op 1 december 2004, hierna: Dopingreglement “oud”.
De tuchtcommissie gaat uit van de onmiddellijke werking van het huidige Dopingreglement voor wat betreft de procedurele bepalingen, terwijl de materiële bepalingen in het Dopingreglement “oud” die van toepassing waren op het tijdstip van de overtreding, deze toepassing behouden.
De overtreding waarvan aangifte is gedaan heeft plaatsgevonden in 2006. De tuchtcommissie zal de aangifte dan ook materieel beoordelen aan de hand het Dopingreglement 2004 en de Dopinglijst 1 januari 2006.

Ter zake van de aangifte overweegt de Tuchtcommissie als volgt:

De onder 4. genoemde aangifte is namens het bondsbestuur ingediend door de heer M.A. van Haperen, hiertoe schriftelijk gemachtigd door drie leden van het bondsbestuur van de KNAU door middel van de bij het Instituut Sportrechtspraak gedeponeerde handtekeningenlijst van 7 juni 2007. De tuchtcommissie beschouwt hiermee de aangifte als gedaan door het bondsbestuur conform artikel 34 van het Dopingreglement j° artikel 9 lid 2 van het Tuchtreglement.
Zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling voert de betrokkene het formele verweer dat de overtreding waarvan hij wordt beschuldigd niet duidelijk blijkt uit de aangifte. Dit verweer is naar het oordeel van de Tuchtcommissie terecht. Echter uit het schriftelijk verweer van betrokkene en uit het tijdens de mondelinge behandeling namens betrokkene gestelde is de Tuchtcommissie gebleken dat de betrokkene goed heeft begrepen dat hij beschuldigd wordt van overtreding van artikel 4 lid 1 van het in 2006 geldende Dopingreglement van het ISR jo. Paragraaf M 2 (b) van de in 2006 van kracht zijnde Dopinglijst. De tuchtcommissie is dan ook van mening dat de onduidelijkheid van de aangifte in dit geval niet behoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkheid daarvan. Voorts is de aangifte tijdig ingediend zodat naar het oordeel van de tuchtcommissie geen beletselen bestaan deze in behandeling te nemen.

Ter zake van de overtreding(en) overweegt de Tuchtcommissie als volgt

:

Artikel 4 lid 1 van het Dopingreglement ”oud” bepaalt dat gebruik of poging tot gebruik van een verboden stof of een verboden methode een overtreding vormt van dit reglement.
De Dopinglijst 1 januari 2006 bepaalt in hoofdstuk I onder ‘Verboden Methoden” in paragraaf M2. sub (b) dat intraveneuze infusies verboden zijn, behalve in geval van een gerechtvaardigde acute medische behandeling.

Uit de aangifte en de daarbij behorende bijlagen concludeert de tuchtcommissie dat aangifte wordt gedaan van twee mogelijke overtredingen, die zij conform de terminologie die is gebruikt in de aan haar voorgelegde stukken gemakshalve definieert als:
a. het “herstelinfuus”van 9 augustus 2006;
b. het “curatieve infuus” van 10 augustus.

Ad a. : het herstelinfuus.

Krachtens artikel 11 van het Dopingreglement rust de bewijslast van een overtreding bij het bondsbestuur. De aangever baseert zich in de aangifte uitsluitend op het door betrokkene op 23 januari 2007 aan enkele bestuursleden van de KNAU verzonden e-mailbericht (hierna: de e-mail). De inhoud van de e-mail, waarvan de wijze van totstandkoming in dit verband niet relevant is, wordt door betrokkene betwist. De e-mail kan dan ook naar het oordeel van de tuchtcommissie daarom niet worden beschouwd als een “bekentenis” in de zin van artikel 12 lid 1 van het Dopingreglement. De aangever draagt geen enkel steunbewijs aan zodat ook volgens het bepaalde in artikel 8.5 van het Tuchtreglement van het ISR niet wordt voldaan aan de minimale bewijseisen.

Op basis van het bovenstaande concludeert de tuchtcommissie dat de aangever de overtreding bestaande uit het toedienen van een herstelinfuus op 9 augustus 2006 niet genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt en is van oordeel dat het bewijs van deze overtreding niet is geleverd.

Ad b.: het curatief infuus.

De toediening van een curatief infuus op 10 augustus 2006 is door betrokkene erkend en staat derhalve vast. Het toedienen van een dergelijk infuus is echter niet verboden – en levert geen overtreding op- indien sprake is van een gerechtvaardigde acute medische behandeling.
De Dopingautoriteit stelt in haar verslag dat voor het curatieve infuus geen medische noodzaak bestond. De Dopingautoriteit voert in haar verslag evenwel geen enkel bewijs aan van die stelling. Ook de aangever op wie ingevolge artikel 11 van het Dopingreglement de bewijslast rust dat een overtreding heeft plaats gevonden voert op dit punt geen bewijs aan.

De betrokkene stelt zich in zijn verweer op het standpunt dat aan de noodzakelijkheidvoorwaarde is voldaan en draagt daartoe bewijs aan.
De tuchtcommissie constateert dat door tenminste drie artsen, te weten:
* de heer P. Vergouwen, teamarts van de Nederlandse Atletiekploeg in Göteborg, die betrokkene op de bewuste data meerdere malen heeft bezocht (verklaring gevoegd bij verweerschrift als productie7),
* de heer B. Nikkels, huisarts en vertrouwensarts van betrokkene die per telefoon door de betrokkene is geconsulteerd (verklaring gevoegd bij verweerschrift als productie 13),
* een anonieme arts die op 10 augustus het curatieve infuus aan betrokkene heeft toegediend (verklaring gevoegd bij verweerschrift als productie 27, vergezeld van een proces verbaal van constatering – productie 28 – van een deurwaarder waarin de handtekening van de arts aan de hand van diens identiteitsbewijs en de bevoegdheid van de arts aan de hand van diens artsendiploma wordt bevestigd),
de diagnose voedselvergiftiging wordt gesteld. Uit de verklaringen van deze artsen blijkt voorts dat zij allen van oordeel zijn dat sprake was van ernstige dehydratatie en dat een infuustherapie met glucosezout op medische gronden noodzakelijk was.
Hiermee staat naar het oordeel van de tuchtcommissie vast dat sprake was van een medische noodsituatie en dat het curatieve infuus op 10 augustus 2006 is toegediend op medische gronden.
Uit de verklaringen van de betrokkene afgelegd in het kader van het onderzoek door de Dopingautoriteit, de schriftelijke verklaring van diens vriendin en kamergenote Adrienne Herzog opgesteld in het kader van ditzelfde onderzoek en de verklaring van de als productie 27 bij het verweerschrift gevoegde verklaring van de anonieme buitenlandse arts, blijkt naar het oordeel van de tuchtcommissie dat het toedienen van het bewuste infuus op medisch verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden: door, althans onder toezicht van en met behulp van het materiaal van een gekwalificeerde arts in een naar de omstandigheden verantwoorde medische setting en nadat met alcohol was gedesinfecteerd.
Anders dan de Dopingautoriteit haar verslag stelt behoeft niet te worden voldaan aan de voorwaarde van het achteraf (binnen 10 dagen) aanvragen van medische dispensatie voor het gebruik van het infuus. In de Dopinglijst van 1 januari 2006 wordt deze eis niet gesteld. Deze lijst is van toepassing op de gebeurtenissen die plaats vonden in augustus 2006 en niet de Dopinglijst van 2008 waarop de Dopingautoriteit kennelijk haar conclusies (mede) baseert.
Op grond van het bovenstaande concludeert de tuchtcommissie dat de aangever met betrekking tot het op 10 augustus 2006 toegediende curatieve infuus niet genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat een overtreding van het Dopingreglement door betrokkene heeft plaatsgevonden.

9. Beroep in geval van een uitspraak van de tuchtcommissie

Van deze uitspraak kunnen zowel de betrokkene als de overige in artikel 52 lid 2 van het Dopingreglement genoemde partijen en organisaties binnen 21 dagen na de datum van ontvangst van deze uitspraak, welke geacht wordt twee dagen na de datum van verzending te zijn gelegen, beroep instellen bij de commissie van beroep van het Instituut Sportrechtspraak. Het beroep dient schriftelijk te worden ingesteld met gebruikmaking van een standaardberoepschrift dat kan worden verkregen bij het ambtelijk secretariaat of door het te downloaden van de website van het Instituut Sportrechtspraak: www.instituutsportrechtspraak.nl. Alleen een met behulp van een standaardberoepschrift ingediend beroep wordt door de commissie van beroep in behandeling genomen.

Nieuwegein, 27 april 2009

mr. J.Gerrits mr. A.M. Bleeker-van Velzen
(kamervoorzitter) (juridisch secretaris)

Afschrift verzonden d.d.:
Paraaf ambtelijk secretaris:

Beantwoord

Het is toegestaan de volgende HTML tags en attributes te gebruiken: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

  • Voor zover ik begrijp, komt het blijkbaar neer op het volgende:
    1. Er is geen bewijs aangeleverd voor het “herstelinfuus” van 9 aug 2006.
    2. De drie betrokken artsen hebben (schriftelijk) getuigd dat er medische noodzaak bestond voor het “curatieve infuus” op 10 aug 2006.
    3. Voor dat curatief infuus hoefde achteraf geen medische dispensatie te worden aangevraagd. Die regel is immers pas ingesteld in 2008.

    Kortom:
    – De Atletiekunie treft geen blaam.
    – De dopingautoriteit heeft hier een klein foutje gemaakt in een ingewikkelde zaak (regelementen uit 2004, 2006, 2008 en 2009 spelen elk een rol in deze zaak, en zijn allen op een bepaald punt gebruikt door het ISR – dus heel normaal dat een instantie als de DA hierin een keer een verkeerde versie van een reglement probeert toe te passen).
    – Blijkbaar hebben dus alle betrokkenen gewoon te goeder trouw gehandeld (in deze zaak, althans).

  • Rene Nijkamp

    @Don K. De AU treft volgens mij wel blaam (in het bijzonder Ellen van Langen door haar uitlatingen als bestuurder)gezien de aanpak vanaf het begin, “doofpotaffaire”, lekken van informatie etc. Daarnaast zij als gevolg daarvan nu ook nog erg veel kosten gemaakt en ook dat vindt ik een probleem.

  • Een logisch vervolg lijkt me dat de dopingautoriteit op zijn minst excuses dient te maken aan Simon en de KNAU. Een door de dopingautoriteit op te hoesten schadevergoeding voor aangebrachte imago schade zou ook vrijwillig of desnoods via een rechtzaak op zijn plaats zijn.
    Dergelijke foutjes kan zo’n organisatie zich niet veroorloven, zeker als ze het publiekelijk maken. Het persoonlijk leed voor atleten en in dit geval zelfs bestuurders is hierdoor veel te groot, namelijk onherstelbaar.
    Alleen dan leren ze er van dat hoogste prudentie betracht dient te worden en kunnen we herhaling voorkomen.

  • @RvW: waarom zou de DA excuses moeten aanbieden aan de AU? Het ISR doet uitspraken over Vroemen. Over de hele kwestie dat de AU het onderzoek heeft geprobeerd te saboteren wordt niets gezegd. Het is al spijtig genoeg dat daar geen verder onderzoek naar gedaan wordt, excuses van de DA lijkt me echt de omgekeerde wereld!

    Laten we het wel even helder houden: omdat de AU geen open kaart heeft gespeeld richting DA en alleen maar bezig was het eigen hachje te redden komt Vroemen nu goed weg!!!

  • Een logisch vervolg lijkt me dat de KNAU op zijn minst excuses dient te maken aan Simon Vroemen. Deze bestuursleden deden al aan laster en naamsbevuiling vóórdat Vroemen positief testte. Zeer kwalijke zaak!!

    Zie hier scherpe conclusies van bestuursleden die ‘van niets wisten’.

    http://www.themazecorporation.net/lv/wp-content/concept-notulen-besloten-ur-6-1-2009.pdf
    p.3 Terugkeer SV als topsporter in 2008
    Dit is vanaf het begin een gesprekspunt geweest in het bestuur. Toen bekend werd dat SV voor de Olympische limiet wilde gaan hebben we hier onze vraagtekens bij geplaatst. Het was een atleet die er twee jaar uit was geweest, wat vinden externe partijen (bijvoorbeeld NOC*NSF) hiervan. Twee weken daarna liep SV al de limiet (en een supertijd). Wij vonden dit als bestuur niet geloofwaardig. Tijdens de vakantie van Wim en Harry werd toen door Sylvia een conference call gehouden. Knap lastig, hoe ga je hier nu mee om? Als bestuur moesten we eerst vaststellen welke feiten er lagen en welke mogelijkheden er waren om SV eventueel bij de Spelen weg te houden.

    http://www.themazecorporation.net/lv/wp-content/vragen_unieraadsvergaderingv3.pdf
    p12. Op 11 juni 2008 slaagt Simon Vroemen in zijn (vervroegde) poging om zich in Cottbus (Ger) op de 3000 m steeple om zich te kwalificeren voor deelname aan de Olympische Spelen te Beijing […] Directeur Rien van Haperen heeft dezelfde avond alle bestuursleden over deze prestatie geinformeerd. Ellen van Langen heeft terstond contact opgenomen en haar twijfels geuit over de rechtmatigheid van de geelverde prestatie.

    p13. Op 25 juni 2008 vond […] een gesprek plaats tussen voorzitter Wim Slootbeek, bestuurslid Ellen van Langen en directeur Rien van Haperen. […] Na kennisneming van het e-mail bericht stond voor hen vrijwel vast dat Simon Vroemen niet aan de Spelen zou deelnemen.