Foto: Losse Veter

De naam Renato Canova zal niet iedereen bekend in de oren klinken. Toch heeft de Italiaanse trainer een imposante staat van dienst opgebouwd in de laatste decennia. Je zou hem nog het best kunnen omschrijven als de José Mourinho van de at letiek, een eigenzinnige coach met een geheel eigen kijk op de atletiek die altijd bereid is om de discussie aan te gaan. Zijn uitgesproken mening maakt hem tot een evenzeer geliefd als verguisd persoon binnen de mondiale atletiek.

Canova heeft momenteel een grote groep wereldtoppers, van de 1.500m tot de marathon, onder zijn hoede. Op dit moment begeleidt hij onder andere Moses Mosop (met 2:03.06 de op één na snelste atleet ooit op de marathon), Abel Kirui (tweevoudig wereldkampioen marathon, eveneens geselecteerd voor de Olympische Spelen), Sammy Kitwara, Robert K. Cheruiyot, Silas Kiplagat, Florence Kiplagat en Genzebe Dibaba.

De inmiddels 67-jarige Canova draait al meer dan 40 jaar mee in de atletiek. Hij heeft al tientallen medailles op mondiale toernooien, 37 om precies te zijn, gehaald met zijn atleten. Op een leeftijd waarop de gemiddelde mens besluit om het wat rustiger aan te doen is hij actiever dan ooit en vliegt de hele wereld over om zijn atleten te begeleiden. Vorig jaar bracht hij gemiddeld één op de drie dagen door in het vliegtuig.

Het heilige vuur brandt nog steeds met volle overgave. Er is dan ook nog één groot doel dat de Italiaan nog niet heeft verwezenlijkt. Hij heeft nog niemand naar olympisch goud weten te brengen.

Het begin
Het trainerschap is als een roeping voor Canova. Bij het zien van een interland tussen Italië, Spanje en Frankrijk wist hij dat hij ooit bondscoach van Italië wilde worden. Hij was toen elf jaar. Dertien jaar later zag hij zijn droom al in vervulling gaan.

Na de middelbare school wilde Canova meteen een opleiding voor lichamelijke opvoeding volgen. Zijn vader zag voor hem echter een toekomst als ingenieur weggelegd en stak daar een stokje voor. Hij verkwistte daarmee naar eigen zeggen een jaar van zijn leven door natuurkunde te studeren aan de universiteit. In een opwelling had zijn vader aangegeven dat hij na een jaar mocht overstappen als hij voor juni al zijn examens wist te halen. Zijn vader zag dat als een onmogelijke opgave maar Canova junior was niet van zijn wijs te brengen en slaagde met vlag en wimpel. Vanaf dat moment ging het hard met zijn carrière.

Hij ging als leraar lichamelijke opvoeding aan de slag. Op 24-jarige leeftijd kreeg hij de kans om onderdeel uit te maken van een speciaal programma. Dat programma bood een aantal topcoaches de mogelijkheid zich verder te ontwikkelen als trainer terwijl zij als leraar onder contract bleven staan. Hij werd toen meteen benoemd als bondscoach. Het is dan 1969.

Het betekende meteen een einde van zijn eigen sportieve aspiraties. Canova was op dat moment een fanatieke meerkamper en had zicht op een plek in het nationale team. ‘Het niveau was niet erg hoog. Met 6200 punten kon je al deel uitmaken van het nationale team. Ik had een persoonlijk record van 5962 punten en had een goede winter gedraaid.’ Maar de Italiaanse bond besloot dat deze bezigheden niet met elkaar te verenigen waren.

marathon
In die beginjaren probeerde hij zelf alle onderdelen uit. ‘Ik heb ze allemaal gedaan.’ Zo kwam hij tot een tijd van 4:07 op de 1.500m en liep hij zelf ook één marathon. Dat was op 20-jarige leeftijd. In de enige marathon van Italië, die van Savona, kwam hij tot een tijd van 2:53. Het leverde hem een 22e plaats op in het nationaal kampioenschap.

Al vrij snel komt hij ook als trainer in aanraking met de marathon. Begin jaren ’70 is het slecht gesteld met het niveau van het Italiaanse lange afstandslopen. De beste loper van het land loopt ruim boven de twee uur en twintig minuten op de marathon. Ze besluiten zich samen te pakken met een aantal trainers en wetenschappers. Ze creëren een cultuur van vernieuwing die wordt gevoed door passie, nieuwsgierigheid en kennisuitwisseling.

‘We werkten als een groep, we hadden veel passie en de wil om nummer één te zijn. En we waren open tegen elkaar. Zo konden we met een heleboel dingen experimenteren en dat samenvoegen en evalueren.’

Ze hebben op dat moment nog een lange weg te gaan maar ze zijn, naar nu blijkt, de weg ingeslagen die uiteindelijk zal leiden tot een gouden ‘eeuw’ voor het Italiaanse lange afstandslopen. Italië beleeft een periode van grootse successen die min of meer gemarkeerd wordt door twee olympische marathontitels, die van Gelindo Bordin in 1988 en die van Stefano Baldini in 2004.

Maar daarmee lopen we enkele decennia vooruit op de zaak. Begin jaren ’70 is het vooral veel experimenteren en evalueren. Canova werkt daarbij onder andere samen met Giampaolo Lenzi en Luciano Gigliotti. Lenzi zal de trainer worden van New York-winnaar Orlando Pizzolato. Luciano Gigliotti wordt de trainer van de olympisch kampioenen Gelindo Bordin en Stefano Baldini. Ze brengen veel tijd samen door. Ze zijn ongeveer twee weken per maand samen. Het trainerstrio zoekt ook nadrukkelijk de samenwerking met de wetenschap. Zo werken zij onder andere samen met Enrico Arcelli, een fysioloog die veel onderzoek doet naar de voeding voor marathonlopers.

In die eerste jaren experimenteren ze veel met voeding. Dat gebeurt met wisselend succes. Zo proberen ze onder andere een omstreden methode van koolhydraatsupercompensatie. Supercompensatie is een bekend begrip in de trainingsleer. Het vormt het basisbeginsel van elke trainingsleer. Van de training zelf wordt je namelijk niet beter. Het is het herstel na de training dat een loper op een hoger niveau moet zien te krijgen. Het effect waarbij dat ook daadwerkelijk lukt en het lichaam zich dus beter herstelt na een inspanning heet supercompensatie. Op een vergelijkbare manier is een aantal jaren ook geprobeerd de voorraad koolhydraten op te rekken die het lichaam kan opslaan. Door het lichaam een aantal dagen die belangrijke brandstof te onthouden en ondertussen toch flinke inspanningen te leveren wordt de voorraad koolhydraten volledig uitgeput. Onderzoek heeft uitgewezen dat het lichaam hierdoor tot wel 15% meer koolhydraten kan opslaan na een dergelijk dieet. Toch lijken atleten hier niet beter van te presteren en de methode raakt alweer snel in de vergetelheid.

Ook het lopen op spaghetti met honing wordt niet door alle lopers evenzeer gewaardeerd. ‘De atleten dronken daar het water bij waarin de pasta gekookt was. Dat leidde meestal tot de nodige darmklachten,’ zegt Canova met een brede lach op zijn gezicht en geeft toe dat het een periode van vallen en opstaan was.

Het is in deze voedingsbodem van experiment en passie dat uiteindelijk de kiem ontstaat van een methode die wij nu zijn gaan beschouwen als ‘het nieuwe marathonlopen.’ De belangrijkste ingrediënten van die methode zijn individualisering en specificiteit.


Foto: Losse Veter

Individualisering
De trainingen zijn in die beginjaren nog uniform. De groep traint als geheel op hetzelfde schema. Het klinkt nu als gesneden koek maar het is begin jaren ’80 als zij voor het eerst gaan differentiëren. ‘Ik heb het niet alleen over de schema’s maar over de algehele begeleiding van de atleet. In die periode was Pizzolato bijvoorbeeld al een sterke atleet maar dat kwam er in wedstrijden meestal niet uit. We ontdekten dat hij niet goed presteerde als hij het de laatste drie dagen voor de wedstrijd rustig aan deed. Door hem twintig kilometer per dag te laten lopen, ook in die laatste dagen, bleef hij in zijn ritme en stopte hij met zich zorgen te maken. De methodologie moet de atleet volgen en niet andersom.’

Het is dan rond 1984 en deze aanpak werpt meteen zijn vruchten af. Pizzolato wint dat jaar voor het eerst de marathon van New York. Een jaar later wint hij opnieuw. Ook Gelindo Bordin meldt zich nadrukkelijk aan het marathonfront. Hij zet van 1986 tot 1990 een indrukwekkende reeks neer met een olympische titel, twee Europese titels en een bronzen plak bij het wereldkampioenschap in eigen land (Rome, 1987).

Specificiteit
Bordin was de eerste atleet waarmee ze ook een nieuwe trainingsaanpak probeerden. Die methode is gebaseerd op specificiteit. ‘Specifieke trainingen zijn gemeengoed in de atletiek. Het zijn trainingen die iets langer zijn dan de wedstrijd en waarbij de snelheid op minimaal 90-95% van de wedstrijdsnelheid ligt. Maar in de marathon gebeurde dat niet. De lange duurlopen waren korter dan de marathon en kwamen al helemaal niet in de buurt van het marathontempo,’ legt Canova uit.

‘Mensen zien lange duurlopen altijd als marathonspecifieke training maar dat is onzin. Als je naar het klassieke systeem kijkt dan is iemand die klaar is om de marathon te lopen in mijn visie juist klaar om met de specifieke trainingen te beginnen. Dat zijn de laatste twee maanden van de voorbereiding.’

Bij Bordin hanteerde Canova hierbij een schema waarbij hij uitging van ongeveer 23 kilometer marathonspecifiek tempo per training. Dat ging van zes keer drie kilometer sneller dan het marathontempo, afgewisseld met telkens één kilometer op 80%. Die tempoblokken gingen vervolgens naar vijf keer vier kilometer, vier keer vijf kilometer en drie keer zeven kilometer.’

Deze trainingen zijn behoorlijk belastend en deze trainingen gaan daarom gepaard met de nodige rust voor- en achteraf. Actieve rust welteverstaan. ‘Als je zo’n training doet moet je fris zijn, dus de twee dagen van tevoren loop je alleen een rustige duurloop van 45 minuten en hetzelfde na afloop van de training,’ stelt Canova.


Foto: Losse Veter

Kenia
Deze methode heeft hij mee genomen naar Kenia en heeft hij daar verder ontwikkeld en verfijnd. Hij kon daar werken met een bijna onuitputtelijke bron van talent. Dat bood hem de mogelijkheid om verder te experimenteren en nieuwe stappen te zetten in de duistere toekomst van het hardlopen. Canova vergelijkt dat proces graag met de ontwikkeling van een auto. ‘Als je ingenieur bent en je moet een Fiat 500 ontwikkelen dan ziet zo’n proces er heel anders uit dan wanneer je een Formule 1-bolide moet ontwikkelen. Zo zou je het verschil tussen werken in Italië en Kenia ook moeten zien.’ Op de vraag hoe hij Bordin dan zou omschrijven, antwoordt hij met een brede lach: ‘Een goede Alfa Romeo.’

Het was in 1998 dat Canova voor het eerst een bezoek bracht aan Kenia. Als bondscoach van Italië wilde hij graag onderzoeken wat het effect van hoogtetraining was. De middelen hiervoor ontbraken echter bij de bond. Atletenmanager Gianni de Madonna bood soelaas. Hij was bereid de reis te betalen als Canova zijn Keniaanse atleten kon voorzien van trainingsadviezen.

Inmiddels verblijft hij een deel van het jaar in Kenia, heeft hij een eigen huis in Iten en heeft hij een grote groep Keniaanse en Ethiopische wereldtoppers onder zijn hoede. Ook al was het potentieel enorm en het basisniveau hoger dan dat hij in Italië gewend was, moest hij op trainingstechnisch gebied van voren af aan beginnen. Ook in Afrika overheerste nog steeds de doctrine van de lange, langzame duurlopen. ‘Het wereldrecord van Paul Tergat werd gelopen zonder specifieke training, alleen maar basistraining.’

Maar voordat hij hier überhaupt aan kon beginnen moest hij eerst een hele cultuuromslag bewerkstelligen in het denken over schema’s. Als voorbeeld vertelt hij over een ontmoeting met een Keniaanse atleet die hij na een aantal jaren weer eens ontmoet. De atleet bedankt hem voor het schema dat hij heeft gekregen en vertelt hem dat hij er heel veel profijt van heeft. ‘Hoezo veel profijt?,’ vraagt hij aan de Keniaan. ‘Dat was een schema voor twee weken, niet voor acht jaar. Kenianen denken heel erg in vaste routines: dinsdag baan, donderdag fartlek en zondag lange duurloop, dat blijven ze gewoon herhalen. Zo vroeg ik een atleet een keer wat zijn programma was voor dinsdag. ‘Op de baan,’ antwoordde de Keniaan. Dat is nu precies het probleem. De baan is een plek geen training. Als ik met Bolt train doe ik 10x60m en als ik een marathonloper train doe ik 20x 1.000m. Dat doe ik op dezelfde plek maar het zijn totaal verschillende trainingen.’

Hij wil hiermee zeggen dat hardlopen en trainen niet per definitie hetzelfde is. Vol overgave vervolgt hij zijn betoog, als een missionaris die het gevoel heeft dat hij weer twee ongelovigen heeft weten te overtuigen van zijn filosofie.

‘Veel atleten herhalen ieder jaar hetzelfde programma. Maar dat doe je op school toch ook niet. Als je een vak hebt gehaald dan ga je toch ook niet terug naar die klas om de lessen opnieuw te volgen.’

Langzaam maar zeker raakt hij aan de essentie van zijn betoog. ‘Training gaat niet over herhaling maar over het toevoegen van stimuli, oftewel nieuwe prikkels. Zonder stimuli geen verbetering en dus geen training. Training is iets dat kwaliteit produceert. Als jij op de computer typt dan is dat geen training. Je hebt dat ooit moeten leren maar dat is nu geen training meer. Kortom, om te herhalen wat werkt is geen training. Dat is geen stimulus maar adaptatie,’ legt hij uit.

‘Adaptatie is de vijand van progressie.’

‘Dat is de situatie van de recreatieve loper, die blijft in de adaptatiefase. Dat is ook logisch want stimulus is ook gevaarlijk, het kan leiden tot blessures.’


Foto: Losse Veter

Terug naar Europa
Maar in de periode dat hij met succes zijn geloof aan het prediken is in Afrika moet hij met lede ogen toezien hoe dat geloof in Europa in nog rapper tempo afbrokkelt. ‘Bijna iedere Europese trainer die ik spreek vraagt mij waarom de Kenianen zo sterk zijn geworden. Maar dat is de verkeerde vraag. Je moet vragen waarom Europeanen zo langzaam zijn geworden. Waarom waren de Europese atleten van 25 jaar geleden sterker dan nu? De meeste trainers zijn analfabeten. Ze zijn vergeten wat wij al decennia geleden toepasten.’ De strijd wordt niet door de Afrikanen gewonnen volgens Canova. Hij wordt door de Europeanen verloren. ‘Afgelopen jaar liep er geen enkele Europeaan onder de 3:30. Dat is ongekend. Atleten als Sebastian Coe, Steve Cram, Fermin Cacho en Steve Ovett lukte dat enkele decennia geleden we. Zij waren sterker dan de beste Keniaan van nu. Als je kijkt naar een atleet als Salvatore Antibo, die zou ook nu nog een medaille kunnen winnen bij de Spelen.’ Willen we het gat met de Afrikaanse lopers dichten dan zullen we volgens Canova veel meer naar onszelf moeten kijken in plaats van naar hen.

Op de vraag waar hij zich momenteel meer thuisvoelt , Kenia of Italië, is zijn antwoord dan ook duidelijk.

‘Ik hou van Italië maar steeds minder van de Italianen. Er is geen drijfveer meer, geen passie.’

De enige uitzondering die hij wil maken is de jonge Andrea Lalli. Hij heeft dat wel en is bereid om te investeren en naar Kenia te gaan.

Hij hekelt dan ook de houding van de meeste Europese atleten en trainers. ‘De moderne Europese atleet is een accountant geworden. Je kunt geen kampioen worden als accountant. Je moet geen grenzen stellen in je hoofd.’ Het grootste probleem ligt volgens Canova in het kiezen voor de kortste weg. Maar er bestaat in de ogen van Canova geen ‘shortcut’ op de midden en lange afstandsdisciplines.

‘Er is geen passie om het ‘aërobe huis’ te bouwen. Vroeger werd dat deels nog ondervangen door alledaagse activiteiten maar de bewegingsarmoede wordt steeds groter. Intensiteit zonder basis leidt echter tot niets. Dat is een grote methodologische fout die nu wordt gemaakt, dat bedoel ik met die afkorting. De coaches die nog iets weten over de marathon zijn oud en niet meer betrokken. De jonge generatie steekt alle energie in de ‘kers op de taart’ maar er is helemaal geen taart.’

-

Dit artikel verscheen eerder in Losse Veter Magazine #2. Dit magazine staat geheel in het teken van de ASICS-campagne ‘Made of Sports.’ ASICS wil met deze campagne het verhaal achter de prestatie laten zien, de vele uren aan fysieke training en mentale toewijding die ervoor nodig zijn om je ultieme doel te bereiken. Of dat nu het winnen van olympisch goud is of het uitlopen je eerste marathon.

Klik hier om het magazine (PDF-formaat, 25MB) te downloaden.