Luc van Agt: Training is per definitie uit je comfortzone treden, maar wat wij doen is telkens het comfort opzoeken


foto: Losse Veter

We naderen het einde van het jaar en blikken de komende dagen teug middels enkele interessante artikelen die eerder in het Losse Veter magazine verschenen. In Losse Veter magazine nummer 7 staat een interview met Luc van Agt, inspanningsfysioloog en strength and conditioning coach.

Luc van Agt heeft (1955) zijn roots in de atletiek maar is ook al ruim 25 jaar verbonden aan de voetbalclub PSV. Hij is er ooit begonnen als looptrainer en tegenwoordig is hij coördinator fysieke training. Ook is Van Agt verbonden als inspanningsfysioloog verbonden aan de KNVB. En daar waar we ons in de afgelopen decennia steeds meer zijn gaan specialiseren, pleit Van Agt juist voor veelzijdigheid. Eén van de beste voorbeelden is waarschijnlijk Dafne Schippers die met haar jarenlange opleiding als meerkampster nu een absolute wereldtopper is op de sprint. Van Agt praat ons bij over de veranderingen in het voetbal qua training, snelheid van het spel, andere blessures en de verandering in trainingen met een koppeling naar trainingen voor hardlopers en sprinters. Voetballers zijn veelzijdige atleten geworden. Interessante materie van Van Agt die een duidelijke visie heeft over onder andere hoogspecifiek trainen, deliberate practice en geïntegreerd trainen.

We zijn ons de laatste decennia steeds meer gaan specialiseren. Dat geldt zowel in het dagelijks leven als in de sport. Toch lijkt er een tegenbeweging op gang te komen. De roep om een comeback van de homo universalis, de alleskunner, wordt steeds groter. Het werken aan de basis mag niet verwaarloosd worden. Een van de beste voorbeelden is waarschijnlijk Dafne Schippers. Met een jarenlange opleiding als meerkampster is zij nu hard op weg de mondiale sprintelite naar de kroon te steken. Een belangrijke voorstander van deze veelzijdige ontwikkeling is inspanningsfysioloog Luc van Agt. En hij kan het weten.

Het begrip veelzijdigheid loopt als een rode draad door de carrière van Luc van Agt. De Brabander heeft in tal van sporten met de besten in hun discipline mogen werken. Hij kneed de meest uiteenlopende lichamen. Zo leidt hij meerkamper Robert de Wit naar twee Olympische Spelen en een Nederlands record dat ruim 25 jaar stand houdt. Hij heeft de hele carrière van olympisch zwemkampioen Pieter van den Hoogenband zijn krachtschema’s geschreven. Als strength and conditioning coach en inspanningsfysioloog van PSV, en later het Nederlands elftal, boekt hij ook in het voetbal de nodige successen.

Van Agt is van origine gymnastiekleraar. ‘Dat is ook mijn roeping, ik zal altijd een beetje een leraar blijven.’ Maar hij is amper 25 als hij noodgedwongen wordt afgekeurd door een chronische aandoening. Het is 1981, het jaar dat Ronald Reagan als veertigste president van de Verenigde Staten wordt geïnstalleerd en Prins Charles in het huwelijksbootje treedt met Lady Di. Van Agt besluit weer in de schoolbanken te kruipen. Hij kiest voor de studie bewegingswetenschappen in Amsterdam en begint daarnaast met het verzorgen van atletiektrainingen bij de Philips Sport Vereniging, het huidige Eindhoven Atletiek. ‘Ik werd al vrij snel horden- en sprintspecialist. Ze gingen harder lopen en zodoende kwamen er meer mensen bij’, zo concludeert Van Agt nuchter. Als Robert de Wit zich in 1984 niet weet te kwalificeren voor de Olympische Spelen, vraagt hij Van Agt om zijn trainer te worden. ‘Ik gaf hem toen al hordentraining. Ik heb met hem afgesproken dat ik vond dat ik niet goed genoeg was om alles te doen. We zijn toen een team gaan formeren.’ Vanaf dat moment is het trainersvak voor Van Agt altijd gebaseerd op samenwerking. ‘Wij waren de eersten die een team met specialisten om Robert heen hadden verzameld. Iedere training werd hij op het maximum aangesproken door een frisse training .’

Niet veel later brengt Van Agt de atletiek naar het voetbal. In 1986 gaat hij aan de slag als looptrainer bij de voetbaltak van de Philips Sport Vereniging. ‘Ik heb gereageerd naar aanleiding van een interview van hun toenmalige trainer Hans Kraay sr. die zei dat het voetbal nog wat stappen te maken had.’ Het waren de jaren dat Cees Koppelaar als looptrainer zijn eerste resultaten bij Ajax boekte. De andere verenigingen begrepen dat ze niet achter konden blijven. Het was echter nog geen fulltime job en Van Agt ging aan de slag bij de GGD. Niet veel later wist Guus Hiddink de GGD zo ver te krijgen hem uit te lenen aan PSV. Twee jaar later wordt hij door de clubarts Cees-Rein van den Hoogenband, de bekende chirurg en vader van zwemmer Pieter van den Hoogenband, voor de helft van de tijd aangesteld in het Sint Anna Ziekenhuis in Geldrop. ‘Vanaf die tijd ben ik de atletiek gaan afbouwen. Tot 1992, daarna heb ik bijna twintig jaar lang geen atletiekbaan meer gezien.’

Van Agt ziet het voetbal in die jaren een enorme ontwikkeling doormaken. Voetballers worden veelzijdige atleten. Sterker nog, de complexiteit van de atletiek is niets vergeleken bij het hedendaagse voetbal, alleen zijn in de atletiek de prestaties per onderdeel als zodanig op een hoger niveau ontwikkeld. Om dat te illustreren haalt Luc van Agt een foto uit zijn tas. We zien een speler die hoog in de lucht zweeft, met één been tot het uiterste gestrekt. Hij moet acrobatische toeren uithalen om de bal aan te nemen en onder controle te krijgen. ’Dit is complexer dan polsstokspringen’, stelt hij. ‘Die speler moet gezien hebben waar de bal vandaan kwam. Hij moet gezien hebben waar zijn medespelers en tegenstanders staan en kan bovendien ieder moment een beuk verwachten. Dan moet hij ook nog zien waar de goal is. Ondertussen moet hij met zijn voet aannemen en dat is behoorlijk acrobatisch als je dit ziet. En vervolgens moet hij ook nog iets met die bal gaan doen. De complexiteit van de wedstrijd vraagt om veel bouwstenen. Atleten hoeven niet eens om te draaien. De sprint wordt voor negentig procent bepaald door snelheid en kracht, de marathon wordt voor negentig procent bepaald door uithoudingsvermogen. Specifieke motorische grondeigenschappen zijn in het voetbal minder uitgesproken bepalend, maar wel allemaal belangrijk.’

Van Agt begint als looptrainer, maar wordt al snel betrokken bij de revalidatie van geblesseerde spelers. Het ging van looptraining steeds meer naar fysieke training. ‘Langzaam gingen ook planning, periodisering en meten en testen een grotere rol spelen. De sport heeft zich enorm ontwikkeld. In het begin was er niks: een veld, een bos en anderhalve Medicinbal. Daarna kwam het krachthonk. Toen volgde de sportspecifieke manier van testen. Als je kijkt waar we nu staan dan kijk je je ogen uit.’ Niet alleen de manier van trainen en begeleiden is in die jaren sterk veranderd volgens Van Agt, maar ook het voetbal zelf. ‘Voetbal heeft zich ontwikkeld van een intervalduursport naar een intervalsprintsport, maar die moet je wel lang volhouden.’ Dat zie je vooral in de aard van de blessures, zo constateert Van Agt. ‘De blessures zijn daardoor verschoven van enkels naar hamstring. Dat heeft te maken met de hoge snelheid en acceleratie. Het spel gaat zich steeds meer afspelen op een kleiner deel van het veld.’

De snelheid van het spel maakt uiteindelijk het verschil tussen top en subtop. ‘De omvang is nagenoeg gelijk op alle niveaus. Afhankelijk van de positie loopt een speler tussen de 9 en 13 kilometer per wedstrijd. Maar op het allerhoogste niveau is het aantal kilometers dat ze op hoge intensiteit lopen (sneller dan 21 kilometer per uur) hoger. Je moet harder werken om los te komen van de tegenstander, je moet harder werken om pressie te spelen bij balverlies. Het zijn korte sprints, maar wel heel vaak.’

Dat is tegenwoordig allemaal te meten en daardoor is het de laatste jaren ook mogelijk geworden om steeds specifieker te trainen. Dat is ook nodig, maar Van Agt plaatst één kanttekening bij die ontwikkeling. ‘In alle sporten zie je door de jaren heen dat het aantal eenheden hoogspecifieke training is toegenomen. Sprinters moeten sprinten, zo specifiek mogelijk. Vanuit het oogpunt van de fysiologie klopt dat, maar blijkbaar zijn er ergens grenzen. Het lichaam zegt op een bepaald moment stop. De drang om hoogspecifiek te trainen veronderstelt dat de basis goed is en dat is de vraag. Het lijkt erop dat er in het verleden meer geïnvesteerd werd in die basis.’ Van Agt tekent een driehoek om het uit te leggen. Aan de top staan de hoogspecifieke trainingen. De pyramide loopt vervolgens uit tot een brede basis.

‘Als de basis niet breed genoeg is, val je sneller van de top af.’
Volgens Van Agt zijn er een aantal oorzaken aan te wijzen voor de smallere basis bij veel sporters. Ten eerste helpt ons zittend bestaan niet mee aan het kweken van een brede basis. ‘Vroeger had je gymles op school en ging je daarna nog eens buiten spelen.’ Een andere oorzaak is het comfort dat sporters geboden wordt. De trainingsfaciliteiten voor sporters zijn de laatste jaren gigantisch verbeterd, maar dat heeft ook een keerzijde. ‘De keerzijde van de goede accommodatie is verwennerij. Als het slecht weer is kunnen ze binnen trainen, in een verwarmde hal met optimale omstandigheden.

Training is per definitie uit je comfortzone treden, maar wat wij doen is telkens het comfort opzoeken.
Doordat er in het verleden minder trainingsfaciliteiten aanwezig waren, was er onbewust de noodzaak om meer te werken aan de basis en bovendien meer te variëren. Dat kan impliciet ook een leereffect hebben.

Van Agt heeft daarom bij PSV al besloten om de jeugd veelzijdiger te trainen waarbij meer aandacht wordt besteed aan de basis. ‘Wij vinden zelfs in het voetbal al dat kinderen te eenzijdig belast worden met voetballen. Wij zijn nu bezig met een ontwikkeling, die we breedmotorische ontwikkeling noemen, waarbij we de kinderen gymnastieklessen aanbieden op de club. Wij benoemen thema’s, die we uit het voetbal halen. Denk daarbij aan ruimtelijke oriëntatie, balanceren, duelleren, snelheid en wendbaarheid. Dit krijgen ze aangeboden zonder dat ze daarbij voetballen. In de atletiek zou je dit ook heel gemakkelijk kunnen doen. Hierbij kun je denken aan thema’s als stabiliteit, coördinatie en variatie binnen de loopbeweging.’

Daarmee zijn we terug bij de atletiek. Van Agt heeft zelf inmiddels ook de weg terug naar de atletiekbaan gevonden. Zijn dochter Sacha heeft zich ontwikkeld tot een talentvolle sprintster en vader Van Agt is inmiddels zijdelings betrokken bij de training van de sprintgroep van Eindhoven Atletiek. Kijkend naar de atletiek ziet Van Agt dat deze sport als vanouds hoog ontwikkeld is. Het gaat in de top om meetbare uiterst minimale verschillen. Maar ook in de atletiek is van andere sporten wat te leren.

Het begint bij de veelzijdigheid van de training en het blijven werken aan de basis. In dat opzicht verwondert het Van Agt niet dat veel langeafstandslopers geen atletiekachtergrond hebben, maar vaak in hun jeugd gevoetbald hebben. ‘[blockquote]Als je kijkt naar toptalenten in de sport, die hebben bijna allemaal meer gedaan dan hun eigen sport.[/blockquote] Je ziet een hoge mate van veelzijdigheid voordat ze gaan specialiseren.’ Dat is misschien een beetje in tegenspraak met de 10.000-uurregel van de Amerikaanse psycholoog K. Anders Ericsson. Maar die regel gaat over deliberate practice. Maar wat zijn nu bewuste of weldoordachte oefeningen? Is dat voor een sprinter alleen sprinten en krachttraining of is het een breder begrip, namelijk bezig zijn met sport? Deliberate practice betekent honderd procent toegewijd trainen. Dat is dus niet drie uur op de baan hangen en niet altijd per se specifiek trainen.

Volgens Van Agt kan er bovendien nog veel efficiënter getraind worden. In het voetbal zijn ze daar al druk mee bezig. De coach speelt daarbij een belangrijke rol. Efficiënter trainen is in zijn ogen eisend trainen. ‘Van de tien voetballers zijn er maar weinig die, als je een passing-training doet, die bal ook tien keer perfect op de schoen van die ander proberen te leggen. Tenzij je eisend gaat trainen, er een trainer bij zet, die iedere keer blijft corrigeren en aansporen om het goed te doen. Daarmee gaat het gehalte deliberate practice van zo’n training enorm omhoog. Dat werkt bij atletiek ook, ook al zijn individuele sporters uit zichzelf al wat toegewijder omdat ze weten dat zij die doelen alleen moeten realiseren.’

En tot slot breekt hij ook een lans voor geïntegreerd trainen. Wat hem opvalt in de atletiek is dat veel oefeningen en oefenvormen nog vaak geïsoleerd worden aangeboden. ‘Het is de moeite waard om door middel van geïntegreerde training, de juiste trainingsvormen, intensiteiten en bewegingsvormen door elkaar te gooien. Componenten combineren vraagt veel van trainers en atleten. Het geeft meer zinvolle variatie, die van de atleten weer nieuwe adaptatie vraagt en daar gaat het juist om als je jezelf wilt verbeteren. Voetbal is een veel complexere sport, dus we trainen veel geïntegreerder en daar zouden we in de atletiek wel wat van kunnen leren.’

Tip: Losse Veter magazine

Op zoek naar meer info over training, voeding of zoek je meer hardloopbeleving? Neem een abonnement (€29,95) op het Losse Veter magazine en ontvang als welkomstcadeau het boek ‘Bewust hardlopen’ of ‘Asfalt, zand & stenen’. klik hier voor meer info

Beantwoord

Het is toegestaan de volgende HTML tags en attributes te gebruiken: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>